|
100 jaar
geschiedenis Feanwâlsterwal, met o.a. verslag van mevrouw
Anne Bos
Tsjalling
Gosses Postma
En
Geartje Sybrens Venema

20
mei 1899
Geertje
Venema
Tjalling Postma
29 oktober 1872 3 augustus 1873
20 februari 1962 30
juli 1942
Earst
efkes wat algemiene ynformaasje
.
"
Tsjalling
en Gjetsje "
Sa
waarden sy meastal neamd.
Pake Tsjalling wie los arbeider en pakte oan wat er krije koe.
Reidsnije, ûngetiidzje, fiskje, popels snije en stuollen winen
winen de beroppen hokker pake ût
fierde.
Rom hienen sy it net, it wie fakentiids sa; sy moasten wiken boargje
en at sy jild barden betelje.
Hja trouden op 20 maaie 1899 in de gritenij Dantumadeel. 1k leau dat
sy te gean nei it gritenijhûs west ha.
Wêr
leit it begjin.
Dat sil ik jimme fertelle.
Harren earste hûske wie op de streek.
It barde doe’t beppe dêr hinne gong te himmeljen, want it moast
skjin wêze foar dat se der ynlûke koenen.
Nei dat sy it skjin hie en nei hûs ta gong (se wienen doe noch net
trout) kaam sy pake tsjin, mar hy seach har net en groete har ek
net.
Dat hearde net sa, elk seach in kant út, dat wie in wike foar har
trouwen.
Pake
en Beppe krigen sán bern, Gosse, Hendrikje, Sijbren, Douwe, Harmen,
Romke en Elisabeth.
Lieske waard ik altyd neamd.
Romke ha ik net kend, dy is oan in slimme sykte stoarn. Hy is noch
gjin fjouwer jier wurden.
Harm krige dy sykte ek, mar dy hat it oprêdden.
Op de hiinekarre hawwe se him nei Ljouwert ta brocht, der ha se him
in pypke yn de hals setten.
Nei
in pear kear ferhûze te wezen kocht Pake it hiis yn de
Bakkerssteech. (Feanwâlsterwâl)
Dêr wenne ek al in hûshâlding yn, Geart en Atsje mei fiif bern.
(Boele fan der Leest syn Pake en Beppe)
Pake
sei har nei in skoftsje de hier op, want sy moasten it sels brûke.
Beppe
Gjetsje hie it tige drok, want se hie al trije bern en noch gong se
ûtwurkjen, in swier libben dus.
Thûs moast er ek noch it ien en it oare barre, bûten it gewoane hûsháld
wurk foaral simmers.
Simmers moasten se popels snije, dat barde foar de langste dei.
At de popels dan snijd wierne moasten se droege wurde. It dak en it
hûs leinen dan under de popels, dy moasten eltsekear omkeard wurde.
Dernei waarden se ûtsocht en yn boskjes bun.
Pake brûkte sels popels en ferkocht popels, tsien sint it boskje,
der waarden sy ek net ryk fan.
Pake
Tsjalling wie ek fisker, hy skeakelfiske it meast De snoeken waarden
dan ferkocht oan Annema’ s fiskhandel, die wie der doe ek al.
De lytse fiskjes moasten wy ûtsutelje.
It seach der yn it bûtenfjild doe oars ût dan no, it wie allegear
wetter, nei de loddehel kaam de wiel.
De wiel wie in hiel great wetter, at sy der mei min waar oer moasten
dan wie’t net best.
Dan siet us mem meast yn noed en moast it dan ek noch ris tongerje,
dan wie’t in hiele toer om der wei te kommen. Yn dy tiid like it
faak swier waar te wêzen.
Faaks skûlen se at se op it wetter wiene ûnder de kape fan de skou.
Pake Tsjalling wie in man fan net safolle wurden, ek hie hy in
protte pine holle.
Hy moast ek ris in skoftsje koster west ha, mar dat koe hy net dwaan
om syn holle
Gosse
Postma en Tietje Posthumus

Foto
begin zestiger jaren.
Gosse
Postma, geboren te Veenwoudsterwal op 29 augustus 1900.
Gosse
trouwde op 1 december 1932 met Tietje Posthumus, zij was toen 25
jaar en werkte als dienstmeisje in Vi11a Nova te Hardegarijp.
Zij vestigden zich op de streek (tegenwoordig no. 8) te
Veenwoudsterwal. ( onder Hardegarijp)
Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, te weten:
Tjalling, Tjitske en Hendrik.
Gosse verdiende de kost als los arbeider (grondwerker) en als de
tijd zich voordeet ook met riet snijden.
Riet snijden was een ambacht wat de zonen van Heit hadden
meegekregen, hierdoor konden zij in de wintermaanden er wat,
bijverdienen.
Later kreeg hij vast werk in Leeuwarden bij een bouwbedrijf. Hij
ging in 1965 met pensioen.
In
Januari 1968 overleed hij plotseling aan een hartstilstand. Tietje
woont anno 1994 nog altijd op de streek, zij is inmiddels 88 jaar.
Foppe
de Haan en Hendrikje Postma

Foto
genomen eind vijftiger jaren.
Hendrikje
Postma geboren op 2 februari 1903 te Veenwoudsterwal.
Hendrikje is op 18 mei 1928 te Smallingerland in het huwelijk
getreden met Foppe de Haan.
Drie kinderen werden er uit dit huwelijk geboren, Hendrik, Tjalling
en Jacobus.
Als woonplaats werd Opeinde uitgezocht.
Foppe werkte eerst veel als los arbeider en pakte alles aan.
Later kwam hij als vaste kracht bij de boer aan het werk.
Een opmerkelijk iets was dat ze ook ongeveer een half jaar lang een
winkeltje gehad hebben op Buitensverlaat.
Hendrikje bestede al haar tijd aan de kinderen, alles werd zelf
genaaid en gebreid, ze had een paar gouden vingers. Ze mocht erg
graag naar Drachten gaan te winkelen, en dan met name lappen stof en
garen uitzoeken.
Na in Opeinde een paar keer te zijn verhuist sleten ze hun laatste
jaren op de Tsjerke loane.
Hier genoten ze nog van hun oude dag. Foppe overleed op 16 mei 1985
Daarna heeft Hendrikje nag een aantal weken in een bejaarden huis te
Drachten gewoond.
Zij
kon echter niet zonder haar Foppe en overleed op 14 juli 1985 te
Drachten.
Sybren
Postma

Foto
eind zestiger jaren.
Sybren
Postma, geboren op 20 oktober 1905 te Veenwoudsterwal. Sybren is
vrijgezel gebleven, hij heeft zijn hele leven in het ouderlijk huis
gewoond.
Sybren deed veel los werk, dit was trouwens wel iets wat vrij
normaal was in die tijd.
‘s Winters werd er door Sybren vaak riet gesneden, ook werden er
stoelen gewind van de biezen welke in de zomer waren gesneden.
Klein boer, samen met zijn broer Harm was ook één van de beroepen
welke Sybren heeft uitgeoefend.
lets wat veelvuldig bezocht werd waren fanfare concoursen, hij was
ook een groot liefhebber van deze muziek.
Het plaatselijk korps “ Exelsior “ had dan ook een trouw lid aan
hem.
Hier heeft hij jaren samen met zijn broers op gezeten. Sybren was
een echt natuurmens en heeft ook veel van het buitenveld genoten.
Op 5 oktober 1978 overleed Sybren in de Sionsberg
te Dokkum.
Antje
Nicolai en Douwe Postma

Verlovingsfoto
december 1939
Douwe
Postma geboren op 10 mei 1908 te Veenwoudsterwal.
Getrouwd met Antje Nicolai op 6 mei 1943 in het gemeentehuis te
Murmerwoude.
Uit dit huweiijk werden vijf kinderen geboren; Tjalling,
Anneke, Geertje, Binnie en Hennie.
Zoals in die tijd meer voorkwam, moesten zij eerst een woning delen
met anderen.
Dit werd de boerderij van Willem en Hielkje, die stond op
Veenwoudsterwal. (ter plaatse van nr. 32)
Het was in de oorlogstijd, Douwe moest naar Duitsland te werken,
maar door onder te duiken zag hij kans om hier onder uit te komen.
Hij is in deze donkere dagen bezig geweest als klompmaker, deze
werden dan weer geruild met de boeren voor eten.
In 1949 verhuisden ze op de wal naar nr 33 in een winkelpand, dat
door Douwe als timmerman helemaal is opgeknapt. Hier ging destijds
al zijn vrije tijd aan op, want hij was wel een vakman die zijn werk
precies deed.
Van zijn pensioen heeft hij niet zo lang genoten, op 7 maart 1977 is
hij overleden te Dokkum, hij was toen 67 jaar oud.
Antje
woont nog steeds in het zelfde huis, samen met haar zoon Tjalling,
alleen nu op nr 35.
Harmen
Postma en Marijke Paulusma

Harmen
Postma, geboren op 14 februari 1911 te Veenwoudsterwal.
Getrouwd met Marijke Paulusma op 21 november 1946.
Twee kinderen werden er uit dit huweiijk geboren, namelijk
Tjalling en Jan.
Harmen was het op een na jongste kind, hij kreeg al gauw in de gaten
dat muziek zijn grootste hobby was.
Hij was dan ook een trouw lid van de plaatselijke muziek vereniging
“Excelsior’.
Ongeveer 40 jaar werd dit volgehouden, eerst samen met zijn broers,
later alleen.
Harmen en Marijke betrokken de ouderlijke woning om daar hun gezin
in te stichten.
Eerst werd er als klein boer gewerkt, dit kon echter maar net in de
behoeften voorzien. In de oorlogsjaren werd er bijverdient als
klompenmaker, samen met broer Douwe. Op 47 jarige leeftijd werd er
gestopt met het boerenbedrijf, Harmen liet zich omscholen als
timmerman.
Na verschillende bedrijfen te hebben gehad ging Harmen op 65 jarige
leeftijd met pensioen.
Stoelen matten en kozijnen maken was een bezigheid wat Harmen heeft
volgehouden tot zijn tachtigste.
Harm
verhuisde op de leeftijd van 82 en betrok samen met Marijke een
seniorenwoniflat op de Berken 45 te Veenwouden. Zij wonen hier nu
ongeveer een half jaar voelen zich er wel thuis.
Elisabeth
Postma en Alle Ytsma

Verlovingsfoto
1937
Elisabeth
Postma, geboren op 26 augustus 1916 te Veenwoudsterwal.
Getrouwd met Alle Ytsma op 28 oktober 1937 te Murmerwoude.
Uit dit huwelijk worden negen kinderen geboren, te weten:
Geertje, Klaas, Baukje, Hennie, Tjalling, Renze, Gosse, Sybren en
Poppejan.
In eerste instantie ging men in Opeinde wonen, hier werden drie
kinderen geboren.
Alle verdiende destijds de kost als boerenarbeider. In het laatste
oorlogsjaar besloten ze te verhuizen naar Veenwoudsterwal, hier werd
al het werk aangepakt om er maar een paar centen bij te verdienen.
Eerst trokken ze bij Pake en Beppe in, na hier ongeveer anderhalf
jaar bij in gewoond te hebben verhuisden ze naar hun huidige adres
de wal nr. 89.
Lieske haar tijd werd voor het grootste gedeelte besteed aan de
kinderen.
Toen ze later wat meer vrije tijd kreeg werden zingen en voordragen
haar hobby’s, op het koor “de lof stem” miste ze haast nooit,
ze ging er samen heen met Alle.
Sinds een jaar is ze ook hier mee gestopt, ze bezoekt nu alleen nog
bazaars en rommelmarkten.
Aan
haar bibliotheek is te zien dat ze erg veel van lezen houd.
Met
bijzonder dank aan;
Anneke Idzerda-Postma
Sybren Ytsma
Geertje Ytsma
Lieske Postma
23 april 1994
KOMENDE
VANAF HET zuiden vlak voor Veenwouden links af. Dan kom je in
Veenwoudsterwal, een wereldje apart. Een lange smalle vaart de
scheiding tussen de gemeenten Dantumadeel en Tietjerksteradeel,
snijdt ook ,,De Wâl in tweeën. De bebouwing langs de weg aan de
noordkant van bet water ligt in de gemeente Dantumadeel, de bewoners
van de huizen aan de zuidkant van de Wâlsterfeart zijn burgers van
Tietjerksteradeel. Van de zuidkant af kan slechts de verharde weg
worden bereikt over betonnen bruggetjes, een plank of een draai.
Het
geheel doet aan een oude veenkolonie denken dat is het ook:
Veenwoudsterwal is een heel oude veenkolonie, in de zeventiende en
achttiende eeuw gesticht door veenbazen en arbeiders uit Giethoorn
en andere dorpen uit de kop van Overijssel. Zij hebben de laagvenen
tussen Veenwouden en Rinsumageest ontgonnen. De Gietersen wisten
hier aan turf te komen, maar ze bekommerden zich niet al te veel om
het landschap. Het was een wereld van diepe poelen en petgaten die
zij achter Iieten. Toen de natuur zich opnieuw van dit land en water
meester maakte, werd het een wild en wijd natuurgebied, een eldorado
voor vissers en jagers, stropers en eierzoekers. Geen wonder dat de
mensen die rond de eeuwwisseling in Veenwoudsterwal woonden, hun
beroep en hun inkomsten in dit gebied zochten. Er. woonden in die
tijd heel wat kleine boertjes, vissers en rietsnijders aan de Wâl.
Er
zijn niet veel mensen meer op Veenwoudsterwal, die uit eigen
ervaring over die tijden kunnen meepraten. Een van diegenen die dit
wél kunnen, is mevrouw Anne Bos. Ze is nu 75 jaar, geboren en
getogen in het huis waarin ze nu nog woont, aan de zuidkant van de Wâlsterfeart
“Froeger?
Froeger wie ‘t hjir allegear hiel oars en einliks ek folle
geselliger. De minsken wiene mear meiïnoaren”, vindt ze. ,,De
stiennen wãl, sa’t dy der nou leit, wie doe fan ierde. Der wienen
ek gjin betonbarten oer de Wâlsterfeart, mar smelle plankén en
draeijen en hjir en dêr in flapbrêge. Guon hienen allinnich mar
in stap en brochten alles mel de skou oer. Bern, molkbussen alles
gie mei de skou nei de oare kant... Der wiene hjir doe in protte
lytse koumelkers. Der wie einliks gijn keetsje sa lyts of hja hiene
der wol in pear bisten op”.
Gjin
ien hie einliks echt lân hwér’t it fè weidzje koe en dêrom
moast der op ‘e stal fuorre wurde. Moarns bitiid sette elkenien
nei it Ian. Op ‘e hinnereis hiene se jarre as dong yn ‘e skou,
op’e weromreis wie de skou fol gêrs. Us heit hie in stikje lân
oan de oare kant fan de spoorbrêge. As wy dêr moarns sieten to
melken, dan wiene der in protte skouwen ûnderweis. Oeral kamen der
op en del geande kloeten boppe it reit ût…..
Om
aI die stukjes land in het Buitenveld boden de ,,Wâlsters” hard
tegen elkaar bij de “meidforhier”. De notaris en zijn oproeper
verhuurden het land bij opbod. “Lân by it boek hiere” noemde
men dat “op é Wâl”. “Hiel hwat manlju sieten dér yn de
herberge “ ’s Lands Welvaren” mei it swit yn é hannen tsjin
elkoar op te bieden”, zegt Anne Bos. “Jouns
kamen se forslein by de frou thûs omt it to djûr woarn wie.
Mar
hja moasten lân hâlde omt oars de kij fourt moasten, mar der moast
it hiele jier foar bealge wurde”. Overigens kwam er niet alleen
gras van het land. Het bracht vaak ook riet op en iedereen had thuis
op het erf wel riet voor eigen gebruik of voor de verkoop opgetast.
En iedereen had eigelijk ook wel fuiken voor paling en schubvis.
Mèvrouw
Aaltje van der Veen-Paulusma: ,,By myn man gie it fiskjen einIiks
foar de buorkerij”. Zij is 84 jaar oud, haar man - Marten Foppes
van der Veen is dit jaar overleden. ,,Wy binne mei twa kij bigoun by
ûs trouwen. Mar letter hiene wy wol sechstjin melke kij. Marten hie
in tichtset yn ‘e Meer en dêr moast er moarns bitiid wêze foar’t
de skippen kamen. As er om in üre as alve thus kaem, hie ik alles
biret: de kij molken en fuorre en de molke mei de skou nei de dyk.
Ik hie foar ûs trouwen acht jier boerefaem west en einliks koe ik
better melke as myn man. Wy moasten kloek wêze, mar wy hiene it’
bêst”.
,,Marten
forkocht de tel oan Lankhorst yn Heech, dy helle ûs fisk op mei in
greate aek. Yn ‘e winter gie de iel ek wol nei Anne Theunis van
der Veen yn Hurdegaryp. De molke gie met de molkrider net
‘t’molkfabryk yn Feanwalden. Ju wiene wol altiten yn tou,
jouns ek. De klean slieten fan it wurk en ik wié jouns in protte
oan’t naeijen, stopjen en breidzjen. En jouns om njoggen ûre
gienen wy op bêd...
Een
bloeiend verenigingsleven was er bepaald niet in dat Veenwoudsterwal
van toen. Men kon redelljk goed in Veenwouden komen, maar de weg
naar Hardegarijp was slecht. ,,De Foksegatten nei Hurdegaryp wienen,
as it reind hie, een greate moderboel”, zegt Anne Bos. ,,Us heit
woe my einliks nei de iepenbiere skoalle yn Hurdeparyp hawwe, mar
der wie meastentiids net to kommen. Nei Feanwâlden mochten wy net,
hwant dat wie in oare gemeente. Dêrom gie ik net de kristlike
skoalle oan de Swette”. Anne is wel lid geweest van het zangkoor
in Veenwouden, maar vooral in de winter met hoog water dat soms
bijna op de weg stond was
de thuisreis te gevaarlijk.
,,It
nije ljocht is hjir yn 1920 oanlein”, zegt mevrouw Bos, ,,us mem
sei, it is nou to let. Hwant wy wiene doe al great. Wy gienen wol
nei Feanwâlden nei de merke. Dan krigen we jild met fan mem. Mar wy
wiene sa deun en sunich, dat de helte kaem wer mei nei hûs..... .
Veenwoudsterwal
heeft nog monumenten. Er zijn nog altijd oude huisjes, die
nauwelijks veranderd zijn.Wel helemaal vertimmerd, staat daar zelfs
nog de oude vermaning, waar de doopsgezinde gemeente zijn eerste
diensten hield, te
dromen over haar verleden. En daar is dan natuurlijk nog de Wâlsterfeart
zelf als een oeroude verbinding met het ,,Bûtefjild”.
Nòg
zijn er mensen die weten hoe het er vroeger was maar ze worden
steeds zeldzamer. Ook de kleine boeren zijn verdwenen of moeten
straks verdwijnen door de invoering van de melktank
De boerderijtjes worden “omgevormd” tot woonboerderijen met een
zitkuil in de achtertuin en met bewoners die een titel voor hun naam
hebben. Als ook zij maar oog hebben
voor het karakteristieke van de streek en eerbied voor het verleden
van “de Wâl”
|